De kwaliteit van het onderwijs in Nederland is regelmatig onderwerp van gesprek. Maar om uitval in de toekomst te voorkomen is er ook een grotere rol weggelegd voor scholieren, zo menen ingewijden. “Zo is het van belang dat die bij de keuze voor hun opleiding zo veel mogelijk verschillende plekken bezoeken en ook studenten en toekomstige collega’s spreken. Dat is een heel actieve opstelling, maar iemand maakt ook maar één keuze. Pak dan ook alle informatie. Tot nu toe zien wij overigens dat mensen nog betrekkelijk regionaal kiezen als het om een vervolgopleiding gaat”, zegt Karl Dittrich.

Kijk en vergelijk

Dittrich is voorzitter van de Vereniging van samenwerkende Nederlandse universiteiten en deelt zijn visie in een gesprek met drie andere vertegenwoordigers. De nieuwe voorzitter van de VO-raad Paul Rosenmöller is aangeschoven, net zoals voorzitter van de MBO Raad Jan van Zijl en Thom de Graaf, voorzitter van de Vereniging Hogescholen. De laatstgenoemde tipt jongeren: “Het is heel belangrijk om de verschillende opleidingen met elkaar te vergelijken. Luister niet alleen naar de reclames, maar ga in gesprek en weeg af of je later ook een baan kunt vinden. Voor een hbo-opleiding zijn jongeren het minst geneigd te reizen -minder dan voor een universitaire studie- maar misschien moeten ze dat soms wel doen.”
 

"Het is heel belangrijk om de verschillende opleidingen met elkaar te vergelijken

Voor het mbo is de keuze nog delicater, zo stelt Jan van Zijl. “In mijn wereld kijkt men natuurlijk kritisch naar de arbeidsmarktmogelijkheden, maar de keuze voor een opleiding ligt toch echt nog steeds bij de scholier. En het is soms ingewikkeld, dat is van alle tijden. Scholen moeten daarom helpen waar het kan en goed voorlichten, naast zorg dragen voor een bredere opbouw van het onderwijs.” Toch is het vooral ook de zoektocht naar het eigen talent die jongeren centraal moeten stellen, vindt Paul Rosenmöller. “Het is soms moeilijk om erachter te komen waar je talent ligt en wat je aanspreekt. In dat opzicht vind ik het wel jammer dat de maatschappelijke stages in het voortgezet onderwijs verdwijnen.”

Uitval voorkomen

Maar, de uitval die de verschillende partijen zo graag willen voorkomen wordt eveneens veroorzaakt door het onderwijs zelf, vervolgt Paul Rosenmöller. Al in het voortgezet onderwijs, zo steekt hij de hand in eigen boezem. “Dat een te groot deel van de mensen niet slaagt heeft ook oorzaken op de middelbare school. Veel scholen proberen al beter aan te sluiten op het vervolgonderwijs maar om meer jongeren op de juiste plek terecht te laten komen, zullen we nóg meer moeten samenwerken.”

Een van de oplossingen is volgens Jan van Zijl dat er niet te veel tijd moet zitten tussen twee opleidingen. Ook is de stap van de middelbare school naar een ROC soms te groot, zo meent hij. “Het helpt al om een dergelijke opleiding wat kleinschaliger aan te bieden”, zegt hij.

Ook hogescholen hebben een rol te vervullen om uitval te voorkomen. Voor een scholier op zoek naar zijn talent is goede voorlichting, “en geen propaganda”, volgens De Graaf essentieel. Hij spreekt over een vergelijking van opleidingen op basis van objectieve parameters. “Daarnaast is het goed om een indicatie te geven van de arbeidsperspectieven. Vooral in het eerste jaar is er nog te veel uitval in het hbo. Daarom moeten mensen meer worden gecoacht en begeleid. De uitval in het hbo is met name hoog onder mensen die van het mbo komen. Daarom moeten we er meer op sturen dat niet iedereen automatisch wordt toegelaten, en eventueel helpen met alternatieven.” Gesprekspartner Rosenmöller ziet hierin echter ook wat bezwaren. “Het eindexamen van het voortgezet onderwijs geeft toegang tot vervolgopleidingen. Een vmbo-diploma biedt toegang tot het mbo, een havodiploma tot het hbo en een vwo-diploma tot het wo. Zo is ons systeem ingericht. Daar moeten leerlingen en ouders op kunnen rekenen.”

De schok is echter het grootst in het wetenschappelijk onderwijs, zo meent Karl Dittrich. Hij doelt hiermee op de grote overgang die sommige wo-studenten in het eerste jaar ervaren. “Een deel raakt namelijk het spoor bijster in de massa en voelt zich een nummer.” Hij noemt matchingstrajecten als manier om de goede opleiding bij de juiste persoon te vinden en het persoonlijker te maken. “Hiermee toets je vrij snel of een studie wel of niet bij iemand past. Er moet meer aandacht zijn voor het individu.”

Ten behoeve van een betere doorstroom gelden binnenkort strengere eisen. Volgens de wet Kwaliteit in verscheidenheid moeten jongeren zich voor de studie van hun keuze in het hoger onderwijs voor 1 mei aanmelden, zodat zij en de school eerder met elkaar in contact komen. Hierop volgend vindt een studiekeuzecheck plaats. Houdt een persoon zich hier niet aan, dan kan deze het toelatingsrecht verliezen.

Vrije keuze?

Maar: heeft het nog wel zin om mensen op te leiden voor beroepen met slechte arbeidsvooruitzichten? Is het zinvol om hen ervan af te houden hun hart te volgen?

“Je moet mensen een studie niet afraden”, vindt Dittrich. “Het is belangrijk dat mensen hun passie volgen. Het onderwijs zou eerder veel breder moeten zijn.”

De Graaf stipt aan tégen een beloning te zijn voor mensen die een richting kiezen waarin grote arbeidstekorten te verwachten zijn. “Maar je kunt mensen wel laten zien wat de mogelijkheden zijn binnen een sector, en dat bijvoorbeeld techniek meer biedt dan alleen banen waarin je vieze handen krijgt. Het onderwijs moet daarnaast flexibel zijn en niet te veel op functie opleiden.”

Bedrijfsleven en onderwijs

Geluiden uit het bedrijfsleven hebben daarbij ook zo hun invloed. In het mbo is de interactie tussen de twee het grootst, zo merkt Van Zijl op. De invloeden bereiken ook het hbo. Zo vond het bedrijfsleven, zegt De Graaf, dat er te veel technische opleidingen waren in het hbo. Sommige verdwijnen, terwijl andere breder worden. “Ook gaan er mensen op verkenning in het veld, bijvoorbeeld in de zorg, voor de laatste ontwikkelingen en weten we of we mogelijk het curriculum moeten aanpassen”, vervolgt De Graaf. Paul Rosenmöller meent dat er tussen bedrijfsleven en het voortgezet onderwijs nog een slag valt te maken. “Middelbare scholen hebben het bedrijfsleven heel hard nodig om jongeren een goed beroepsbeeld te geven en om het onderwijs levensecht te maken. Ik denk dat bedrijven meer naar school kunnen komen. In de huidige cultuur is het bedrijfsleven vaak nog ver weg voor scholieren.”

Collega Dittrich meent dat er ook in het wo nog het nodige kan worden verbeterd. “We moeten ons meer afvragen wat de leraren in 2025 moeten kunnen. Natuurlijk is dat onzeker, maar het zijn wel de mensen die we nu al opleiden.”

Zorgen

Met een blik op de huidige stand van het onderwijs concludeert Van Zijl dat de vrijblijvendheid minder is en dat er steeds meer aandacht is voor kwaliteit. Ook is de doorstroom volgens hem beter. Collega De Graaf wil nog opmerken dat de toegang tot het (hoger) onderwijs voor iedereen gewaarborgd moet blijven. “Talent moet je zo goed mogelijk ontplooien en je moet zo ver en hoog reiken als je kunt. Dat vereist wel dat studeren niet te duur wordt. Een leenstelsel zorgt ervoor dat duizenden toch maar voor een baan kiezen in plaats van voor het hoger onderwijs vanwege de studieschuld. Dat baart me wel zorgen.”